Op 17 december 2025 heeft de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen in hoger beroep vonnis gewezen in een geschil tussen een aanneemster en een leverancier over een al dan niet te late levering van kozijnen en schuifpuien. De appelarbiters buigen zich hierin over de vraag of een fatale termijn is overeengekomen.[1]
Feiten
In deze kwestie is de aanneemster van mening dat de leverancier de schuifpuien en kozijnen te laat heeft geleverd en zij hierdoor aanspraak maakt op schadevergoeding. Zij heeft in dat kader een aantal facturen onbetaald gelaten.
In de opdrachtbevestiging is ten aanzien van de levering van deze kozijnen en schuifpuien bepaald: “Levering: circa week 50-2021, in overleg met uitvoerder”. De kozijnen zijn uiteindelijk door de leverancier geleverd vanaf week 4 en de schuifpuien vanaf week 14 van 2022.
De arbiter oordeelt in eerste aanleg dat de leverancier toerekenbaar tekortschiet in nakoming van de overeenkomst door deze late levering van de kozijnen en schuifpuien.
De leverancier gaat in hoger beroep, en grieft onder andere tegen het oordeel van de arbiter dat de genoemde leveringstermijn in de opdrachtbevestiging is te zien als ‘fatale termijn’.
Juridisch kader
De vraag of al dan niet een fatale termijn is overeengekomen tussen partijen is van groot belang. Indien sprake is van een fatale termijn, verkeert de schuldenaar direct in verzuim indien hij de overeengekomen prestatie niet binnen deze termijn verricht.[1] Indien echter géén sprake is van een fatale termijn, dient eerst een ingebrekestelling te worden gestuurd, alvorens de schuldenaar in verzuim verkeert. Verzuim is een vereiste voor het vorderen van schadevergoeding wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, maar ook voor ontbinding van de overeenkomst.
Oordeel appelarbiter fatale termijn
Uit bewoordingen “Levering: circa week 50-2021, in overleg met uitvoerder” leiden de appelarbiters af dat overleg dient plaats te vinden voor een precieze leveringsdatum. Uit de gekozen bewoordingen blijkt volgens de appelarbiters dat partijen de bedoeling hebben gehad om de levering van de kozijnen/ schuifpuien door de leverancier af te stemmen op de voortgang van het werk van de aanneemster. Enkel om die reden kan de opgenomen termijn al niet als fataal worden aangemerkt. Het gebruik van de term ‘circa’ bevestigt het voorgaande. Indien de aanneemster een exacte termijn had willen bedingen had zij dit zo in de overeenkomst moeten afspreken; dit mag volgens de appelarbiters ook van een professionele partij als aanneemster verwacht worden.
Géén ingebrekestelling
Appelarbiters overwegen verder dat de aanneemster aanvankelijk de vertraging zelf heeft veroorzaakt. De aanneemster zou de bouwtekeningen – ten onrechte – hebben goedgekeurd, maar in een later stadium weer hebben afgekeurd.
Pas nadat de tekeningen waren goedgekeurd – op 16 december 2021 – zou de vertraging eventueel te wijten zijn aan de leverancier. De aanneemster heeft na 16 december 2021 echter géén deugdelijke ingebrekestelling gestuurd aan de leverancier. De termijn van één dag die de aanneemster aan de leverancier heeft gesteld om met een passend voorstel te komen, is volgens de arbiter niet redelijk.
Aangezien geen sprake is van een fatale termijn, en geen ingebrekestelling is gestuurd, verkeert de leverancier niet in verzuim. De appelarbiters concluderen daarom dat de leverancier niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, en dus niet schadeplichtig is.
Conclusie
Indien het voor (tijdige) nakoming noodzakelijk is dat iets uiterlijk op een bepaalde datum wordt geleverd en/of werkzaamheden uiterlijk op een bepaalde datum zijn verricht, verdient het aanbeveling in de overeenkomst een concrete datum of specifieke termijn op te nemen en – indien beoogd – expliciet vast te leggen dat het een fatale termijn betreft.
Wanneer geen exacte datum is overeengekomen, of wanneer uit de afspraken volgt dat de leveringsdatum nog nader zal worden afgestemd (bijvoorbeeld “in overleg”, “circa”), wordt een dergelijke termijn doorgaans niet als fataal aangemerkt. In dat geval treedt verzuim in beginsel pas in na een ingebrekestelling.
[1] RvA hoger beroep 17 december 2025, nr. 72362.
[2] Als bedoeld in artikel 6:83 sub a BW
Voor meer informatie neemt u contact op met Hans Exterkate
Heeft u vragen?
Neem contact met ons op
Neem contact met ons op