Blog

Eerste Kamer stemt in met rechtsvermoeden voor zelfstandigen: belangrijke stap, maar de echte duidelijkheid moet nog komen

Annick Donders

Annick Donders Advocaat

De discussie over zelfstandigen en schijnzelfstandigheid houdt politiek Den Haag, opdrachtgevers en werkenden inmiddels al jaren bezig. In die periode zijn tal van rapporten verschenen, hebben verschillende kabinetten nieuwe wetgeving aangekondigd en heeft de rechtspraak belangrijke richting gegeven aan de beoordeling van arbeidsrelaties. Toch bestaat er in de praktijk nog altijd veel onzekerheid over de vraag wanneer sprake is van ondernemerschap en wanneer van een arbeidsovereenkomst. Met de instemming van de Eerste Kamer met de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief is een nieuwe stap gezet.

De wet introduceert een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor werkenden die tegen een uurtarief van minder dan € 38 werken (peildatum 1 januari 2026; dit bedrag wordt periodiek geïndexeerd). De wet treedt naar verwachting in 2027 in werking. Het gaat nadrukkelijk niet om een minimumtarief en ook niet om een automatische omzetting van een zzp-relatie in een arbeidsovereenkomst. Wel krijgt de werkende een belangrijk nieuw juridisch instrument.

Wanneer een zelfstandige die onder deze tariefgrens werkt stelt dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan hij of zij zich beroepen op het rechtsvermoeden. De bewijslast verschuift vervolgens naar de opdrachtgever. Die moet aantonen dat daadwerkelijk sprake is van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan kan de werkende aanspraak maken op alle rechten die bij het werknemerschap horen, zoals vakantiedagen, ontslagbescherming en loondoorbetaling tijdens ziekte. Omdat dergelijke aanspraken onder omstandigheden met terugwerkende kracht kunnen spelen, kunnen de financiële gevolgen voor opdrachtgevers aanzienlijk zijn.

Voor de praktijk betekent dit dat opdrachtgevers nog zorgvuldiger zullen moeten beoordelen hoe zij samenwerkingen met zelfstandigen vormgeven, met name wanneer sprake is van lagere tarieven. Daarbij blijft niet alleen van belang wat partijen contractueel hebben afgesproken, maar vooral hoe de werkzaamheden feitelijk worden uitgevoerd. Van belang is verder dat het rechtsvermoeden uitsluitend geldt in de verhouding tussen de werkende en de opdrachtgever. Derden, zoals de Belastingdienst, het UWV of pensioenuitvoerders, kunnen niet zelfstandig een beroep doen op het rechtsvermoeden.

Opvallend is dat dit wetsvoorstel oorspronkelijk onderdeel was van het bredere wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). Dat voorstel moest niet alleen een rechtsvermoeden invoeren, maar ook wettelijk verduidelijken wanneer iemand als werknemer of als zelfstandige kan worden aangemerkt. Juist dat laatste onderdeel is geschrapt. Het kabinet heeft ervoor gekozen het rechtsvermoeden afzonderlijk en versneld door te voeren, terwijl de verdere verduidelijking wordt ondergebracht in een toekomstige Zelfstandigenwet. Daarmee lijkt de wetgever voorlopig slechts een deel van het probleem op te lossen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Annick Donders en haar collega’s van de Sectie Arbeidsrecht.

Heeft u vragen?
Neem contact met ons op