In de zorgsector is het gebruikelijk en noodzakelijk om personeel te scholen. Niet alleen is dit van belang voor werkgevers om te voldoen aan regelgeving en kwaliteitseisen, maar ook om niet-gekwalificeerd personeel aan te trekken en middels scholing een toekomst in de zorg te bieden. Om te voorkomen dat de werkgever met de studiekosten blijft zitten in het geval de werknemer de opleiding niet afmaakt of voor (of snel na) het afronden van de opleiding vertrekt, wordt regelmatig een studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst opgenomen. Hierin wordt dan bepaald dat onder bepaalde omstandigheden (een deel van) de opleidingskosten moeten worden terugbetaald aan de werkgever. In dit blog wordt aan de hand van een recente uitspraak de rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding besproken.
Achtergrond
Uit artikel 7:611a Burgerlijk Wetboek volgt dat de werkgever de werknemer in staat moet stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie. Deze noodzakelijke scholing moet kosteloos worden aangeboden aan de werknemer. Een beding waarbij de kosten van deze noodzakelijke scholing worden verhaald op de werknemer of worden verrekend met diens loon is niet geldig.
In de praktijk speelt vaak de vraag of scholing noodzakelijk is voor de uitoefening van een functie en of er rechtsgeldig een studiekostenbeding is overeengekomen? In september 2025 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak hierover gedaan ten aanzien van de Beroepsopleiding advocatuur.[1] De Hoge Raad heeft overwogen dat de Beroepsopleiding advocatuur een noodzakelijke opleiding is voor de advocaat-stagiaire. Deze opleiding is namelijk verplicht en gericht op het werk dat de advocaat-stagiaire verricht. Een beding waarmee de opleidingskosten onder omstandigheden betaald moeten worden door de advocaat-stagiaire zelf, is daarom niet geldig.
Doktersassistente in opleiding
Een studiekostenbeding voor advocaat-stagiaires die de beroepsopleiding volgen, is dus niet geldig, maar geldt dit ook voor opleidingen die worden gevolgd in het kader van een functie in de zorg?
De kantonrechter van de rechtbank Limburg boog zich over deze vraag in de volgende kwestie.[1] In geschil was of de werkgever bij het einde van het dienstverband het loon had mogen verrekenen met de studiekosten van de werknemer die zij in het kader van haar opleiding tot doktersassistente had gevolgd. De werknemer had een contract voor één jaar in de functie van doktersassistente in opleiding en heeft gedurende dat jaar de opleiding tot doktersassistente gevolgd.
Of een studiekostenbeding geldig is of niet, is afhankelijk van de soort opleiding; is deze noodzakelijk voor de uitoefening van de functie of niet? Er bestaat geen wettelijk voorschrift dat het volgen van de opleiding tot doktersassistente verplicht stelt voor de uitoefening van de functie van de doktersassistente. In die zin is de opleiding dus niet noodzakelijk. De kantonrechter oordeelt onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, echter dat het begrip ‘noodzakelijkheid’ hier een ruime strekking heeft en dat scholing die gevolgd moet worden in opdracht van de werkgever gezien moet worden als noodzakelijke scholing en kosteloos moet zijn voor de werknemer.
De kantonrechter overweegt verder dat in dit geval vast is komen te staan dat de werkgever de eis heeft gesteld dat de werknemer de opleiding zou volgen en dat daarom de opleiding noodzakelijk is voor het uitoefenen van de functie van doktersassistente. Omdat het dus gaat om een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van de functie, moet de werkgever de studiekosten dragen. De Kantonrechter acht het studiekostenbeding, op grond waarvan de werkgever het nog uit te keren salaris heeft verrekend met de studiekosten, niet geldig.
In de praktijk
Uit deze uitspraak van de kantonrechter volgt dat het begrip ‘noodzakelijke scholing’ ruim wordt geïnterpreteerd. Scholing lijkt nu als noodzakelijk te kunnen worden aangemerkt – en als gevolg daarvan een ten aanzien daarvan overeengekomen studiebeding ongeldig – in het geval van opleidingsfuncties waarin de opleiding wordt gevolgd, die is gericht om een vervolgfunctie (namelijk in deze kwestie die van doktersassistente) te kunnen uitoefenen.
Voor de zorgsector – waarin veel wordt opgeleid – zou het doorzetten van deze lijn betekenen dat – voor zover de betreffende cao dit niet al regelt – met werknemers die worden aangenomen op een opleidingsfunctie en op verzoek van hun werkgever in dat kader een opleiding volgen die is gericht op een vervolgfunctie, geen studiekostenbeding meer overeengekomen kan worden. Dit zou onwenselijke situaties in de hand kunnen werken waarbij bijvoorbeeld werknemers geen prikkel meer hebben om een opleiding af te ronden of waarbij werknemers kort na het behalen van de opleiding naar een andere werkgever gaan. De voormalig werkgever blijft dan zitten met de opleidingskosten, terwijl een nieuwe werkgever kan profiteren van de vers geschoolde werknemer.
[1] Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386.
[2] Rechtbank Limburg 21 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:261.
Voor meer informatie neemt u contact op met Nadine Pierey
Heeft u vragen?
Neem contact met ons op
Neem contact met ons op