Niet de bestuurder zelf, zo oordeelde de Hoge Raad op 10 april 2026 in de Getir-zaak. Dat oordeel is aan zijn collega's of de toezichthouders — en het is hun verantwoordelijkheid om ook daadwerkelijk in te grijpen.
De buitengesloten bestuurder
Stel: het belangrijkste besluit in de geschiedenis van de onderneming moet vallen. Een van je collega-bestuurders heeft er persoonlijk belang bij — en dat belang botst met het vennootschapsbelang. Spreek je hem aan? Of laat je hem meepraten?
Nu het andere perspectief: jij bent die collega. Je hebt het bedrijf opgericht. Dan zeggen de anderen: "Jij verlaat de vergadering." Je protesteert — maar de deur gaat dicht.
Wie heeft gelijk? De wet zegt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming als hij een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het vennootschapsbelang.¹ Maar de wet zegt niet wie dat vaststelt. Op 10 april 2026 gaf de Hoge Raad duidelijkheid.
Wat er gebeurde
De oprichters van flitsbezorger Getir zaten als niet-uitvoerend bestuurder in het bestuur van de Nederlandse holding. De vennootschap was nagenoeg failliet. De grootste investeerder bood een reddingsdeal: alle dochtervennootschappen over in ruil voor kwijtschelding van honderden miljoenen aan schulden.
De kwestie: de oprichters hadden eerder een Term Sheet gesloten die hén persoonlijk aandelen in dochterondernemingen zou opleveren. De reddingsdeal maakte die aanspraak waardeloos. Zij hadden er dus alle belang bij dat de vennootschap de deal níet zou sluiten — terwijl het vennootschapsbelang mogelijk het tegenovergestelde vroeg.
De uitvoerende bestuurders sloten de oprichters uit; zij mochten niet meer meepraten en beslissen. Die protesteerden: wíj bepalen zelf of wij geconflicteerd zijn.
Het oordeel
De Hoge Raad stelt drie dingen voorop.
Openheid. De bestuurder met een mogelijk conflict moet dit tijdig en volledig melden aan zijn medebestuurders.
Het criterium. Er is sprake van een tegenstrijdig belang als de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang — het zgn. Bruil-criterium. De lat ligt niet bij zekerheid, maar bij gegronde twijfel.
Wie beslist. Het zijn de overige bestuurders die oordelen. Vinden zij dat er een tegenstrijdig belang is, dan moeten zij de betrokken bestuurder daadwerkelijk uitsluiten.
Het idee dat de geconflicteerde bestuurder zelf mag beslissen of hij meedoet? Onjuiste rechtsopvatting.
En als er wél een RvC is?
De Hoge Raad formuleert zijn regel voor de situatie zonder RvC. De conclusie van A-G Assink biedt aanknopingspunten voor het geval er wél toezichthouders zijn. Hij onderscheidt drie rollen:
Vaststellingsrol. Is er een RvC, dan is deze — en niet het bestuur — bevoegd om te beslissen of sprake is van een tegenstrijdig belang. Dit strookt met de Corporate Governance Code, die voorschrijft dat de RvC — buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder — besluit of sprake is van een tegenstrijdig belang.
Controlerol. De RvC controleert achteraf of de regeling correct is nageleefd bij besluiten waarvoor hij een goedkeuringsrecht heeft.
Escalatierol. Zijn alle bestuurders geconflicteerd, dan neemt de RvC het inhoudelijke besluit zelf (art. 2:239 lid 6 BW).
Voor vennootschappen met een RvC is het dus raadzaam de tegenstrijdig-belangprocedure in het bestuursreglement of RvC-reglement uitdrukkelijk te regelen.
Key take-away
Na het Getir-arrest geldt voor iedere rechtspersoon met een meerhoofdig bestuur¹: niet de geconflicteerde bestuurder, maar zijn collega's of de toezichthouders beslissen of hij wordt uitgesloten. De bestuurder heeft een actieve meldingsplicht — maximale openheid is vereiste. Zorg dat uw bestuur en toezichthouders weten hoe zij hiermee omgaan, vóórdat de situatie zich voordoet.
Meer weten?
Heeft u vragen over besluitvorming binnen uw rechtspersoon, of twijfelt u over het bestaan van een tegenstrijdig belang? Neem dan contact op met David Bos of een van de andere specialisten van Kienhuis Legal.
HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:592 (Getir);
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 (Bruil).
¹ Art. 2:44 lid 6 BW (vereniging); art. 2:129 lid 6 BW (NV); art. 2:239 lid 6 BW (BV); art. 2:291 lid 6 BW (stichting). De coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij volgen via schakelbepalingen de verenigingsregeling.
Heeft u vragen?
Neem contact met ons op
Neem contact met ons op