Blog

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) oordeelt over handelen van arts in hoedanigheid van voorzitter calamiteitencommissie

Yvonne Nijhuis

Yvonne Nijhuis Advocaat / counsel

Wanneer valt het handelen van een arts als lid van een interne calamiteitencommissie onder het medisch tuchtrecht?

Deze vraag stond centraal in een recente uitspraak van het CTG. De uitspraak is vooral relevant voor zorgprofessionals die naast directe patiëntenzorg ook een organisatorische, bestuurlijke of kwaliteitsgerichte rol vervullen. In de praktijk komt dit vaak voor.

Wat speelde er?

De zaak had betrekking op het overlijden van een patiënt na een ingrijpende operatie in verband met spierinvasieve blaaskanker.

De patiënt onderging op 19 september 2019 een zenuw- en prostaatsparende cystectomie, waarbij ook een neoblaas werd aangelegd. Na opname op de intensive care en later op de afdeling urologie overleed hij op 25 september 2019. Uit obductie bleek dat sprake was van een acute bilaterale (broncho)pneumonie als directe doodsoorzaak.

De zoon van de patiënt diende een tuchtklacht in tegen een internist, die voorzitter was van de calamiteitencommissie. Deze commissie onderzocht de gang van zaken rond het overlijden en beoordeelde of sprake was van een calamiteit in de zin van de Wet Kwaliteit Klachten en Geschillen in de Zorg (Wkkgz).

Volgens klager had de internist onvoldoende zorgvuldig gehandeld bij het onderzoek. Daarbij wees hij onder meer op de toepassing van het interne maagretentieprotocol. Het Regionaal Tuchtcollege verklaarde dat onderdeel gegrond, maar legde geen maatregel op. In hoger beroep kwam het CTG tot een andere uitkomst: klager werd alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Daarmee verschoof de aandacht in hoger beroep naar een meer principiële vraag: viel het handelen van de internist als voorzitter van de calamiteitencommissie wel binnen de reikwijdte van artikel 47 Wet BIG, oftewel was klager wel ontvankelijk?

De klacht in het kort

De klacht zag in hoofdzaak op twee punten:

Ten eerste vond klager dat het oriënterend onderzoek naar het overlijden onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd, mede vanwege de gestelde tekortkomingen rond het maagretentieprotocol en het risico op aspiratie.

Ten tweede verweet hij de internist dat zij onjuist of onzorgvuldig had gerapporteerd over de doodsoorzaak en over de vraag of sprake was van ziekten, zwakheden of gebreken.

Belangrijk is dat de klacht niet zag op de directe behandelrelatie c.q. de patiëntenzorg. Het verwijt had betrekking op de rol van de internist binnen het calamiteitenonderzoek.

Het oordeel van het CTG

Eerste tuchtnorm niet aan de orde

Het CTG stelde voorop dat eerst moest worden beoordeeld of het verweten handelen onder artikel 47 lid 1 Wet BIG viel. De eerste tuchtnorm ziet op handelen of nalaten in strijd met de zorg die een zorgverlener in zijn of haar professionele hoedanigheid behoort te betrachten jegens de patiënt.

Volgens het CTG was daarvan hier geen sprake. De internist had de patiënt niet behandeld en er bestond geen behandelrelatie. Haar werkzaamheden vonden plaats in het kader van een wettelijk verplicht kwaliteits- en calamiteitenonderzoek.

Ook de tweede tuchtnorm bood geen grondslag

Daarna keek het CTG naar de tweede tuchtnorm: ander handelen of nalaten dat in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Ook die norm was volgens het CTG niet van toepassing. Het functioneren als voorzitter van de calamiteitencommissie had in deze zaak onvoldoende directe weerslag op de individuele gezondheidszorg.

Het CTG overwoog:

“(…) 4.9 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de internist met haar werkzaamheden als
voorzitter van de calamiteitencommissie uitvoering gaf aan een wettelijke taak, gebaseerd op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Een zorgaanbieder is namelijk verplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de zorg, een intern incidentenregister bij te houden van gemelde incidenten. Een dergelijk onderzoek is niet bedoeld om te beoordelen of de betrokken beroepsbeoefenaren hebben gehandeld volgens de professionele standaard. Het doel van een calamiteitenonderzoek is om de algemene zorg binnen een zorginstelling te verbeteren en te leren van het incident dan wel de calamiteit. Met andere woorden: het onderzoek is bedoeld om de kwaliteit van de zorg binnen de zorginstelling te verbeteren. Daarmee heeft het onderzoek en hebben de werkzaamheden van de internist als voorzitter van de calamiteitencommissie onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg. Dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheden van de internist in hoedanigheid van voorzitter van de calamiteitencommissie niet vallen onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm en dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Het voorgaande neemt niet weg dat het Centraal Tuchtcollege er begrip voor heeft dat het calamiteitenonderzoek en de uitkomsten daarvan voor klager belangrijk zijn. Dit onderzoek en de werkzaamheden die hebben geleid tot het rapport worden alleen niet beoordeeld binnen het tuchtrechtelijk kader.

4.10 Voor zover klager klaagt over gesprekken die de internist met hem heeft gevoerd heeft hij naar voren gebracht dat de internist zich juist door het voeren van deze gesprekken op het gebied van de individuele gezondheidszorg heeft begeven daarom wel onder de tweede tuchtnorm valt. Het was wellicht duidelijker geweest als de internist deze gesprekken samen met de behandelend artsen (de urologen) met een toelichting op de rolverdeling had gevoerd of hen die gesprekken had laten voeren. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt echter dat de internist als voorzitter van de calamiteitencommissie een zekere vrijheid heeft om haar taak in te vullen en uit te voeren en dat zij niet buiten die marge is getreden. (…)”

De werkzaamheden waren aldus vooral gericht op interne evaluatie en kwaliteitsbewaking binnen de zorginstelling. Dat is juridisch relevant, omdat tuchtrechtelijke toetsing niet primair bedoeld is voor elk organisatorisch of bestuurlijk handelen van een BIG-geregistreerde zorgverlener.

De uitkomst: de zoon van de patiënt werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn tuchtklacht.

Tot slot

Deze CTG-uitspraak maakt duidelijk dat de grenzen van het medisch tuchtrecht niet samenvallen met alle werkzaamheden die een arts binnen een zorginstelling verricht. Voor zorgprofessionals met een kwaliteits-, bestuurs- of commissierol is het daarom belangrijk om scherp te blijven op de juridische context waarin zij handelen.

Wilt u weten wat deze uitspraak betekent voor uw organisatie, calamiteitenonderzoek of andere hoedanigheden waarin een arts werkzaam kan zijn? Neem gerust contact met ons op (Yvonne Nijhuis, advocaat gezondheidsrecht).

Heeft u vragen?
Neem contact met ons op