Blog

Opgezegd, en nu? De grenzen van ontruimingsbescherming

Pieter van Goor

Pieter van Goor Advocaat

“Mijn verhuurder heeft de huur opgezegd.” “Ik wil de huur beëindigen.” “Hoe kan ik de huurovereenkomst beëindigen?” “Ik heb opgezegd maar de huurder weigert te vertrekken.” “Mijn huurovereenkomst is opgezegd maar ik wil niet weg.”

Wat nu?

Dit is vaak de eerste vraag die huurders en verhuurders van commercieel vastgoed mij stellen. Rondom het beëindigen van een huurovereenkomst spelen vaak grote financiële en commerciële belangen. Of het nu gaat om het opzeggen van de huur, het verweren tegen een opzegging of het onderhandelen over een passende regeling: goed advies en een goede strategie kunnen het verschil maken. Het adviseren, onderhandelen en procederen over dit soort trajecten behoort tot mijn dagelijkse praktijk.

Einde huur ook einde gebruik?

Nee, gek genoeg niet. Het einde van de huurovereenkomst betekent niet altijd dat de huurder het gehuurde moet verlaten. Voor huurders van zogenoemde 230a-bedrijfsruimte biedt de wet namelijk een bijzondere vorm van bescherming: de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW. Die regeling biedt de mogelijkheid om de ontruimingstermijn door de rechter te laten verlengen. Dat stelt de huurder in staat om vervangende bedrijfsruimte te vinden en zijn bedrijfsvoering ordelijk af te bouwen of te verplaatsen. Een dergelijke verlenging is echter allesbehalve vanzelfsprekend. Dat blijkt ook uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:13499).

Tijdelijke voorziening

Die uitspraak laat mooi zien dat de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a BW een tijdelijke voorziening is waar huurders niet zonder meer op mogen vertrouwen. Een tweede of derde verlening is geen vanzelfsprekendheid.

Een huurder die een tweede of derde verlenging van de ontruimingstermijn wenst, zal op zijn minst moeten laten zien dat hij actief en serieus op zoek is naar vervangende bedrijfsruimte. Zo wees de kantonrechter in deze zaak een tweede verlengingsverzoek af, omdat de huurder zich onvoldoende had ingespannen om alternatieve bedrijfsruimte te vinden. De belangen van de verhuurder bij uitvoering van concrete herontwikkelingsplannen wogen daarom zwaarder. Het tijdsverloop keerde zich hier tegen de huurder die inmiddels bijna twee jaar de tijd had gehad om iets anders te vinden.

Anders gezegd: een huurder die onvoldoende voortvarend zoekt naar vervangende bedrijfsruimte, loopt een reëel risico dat een (tweede of derde) verlengingsverzoek wordt afgewezen. Dat geldt ook wanneer een ontruiming verstrekkende gevolgen heeft voor de onderneming of zelfs het voortbestaan daarvan. De belangen van de huurder staan immers niet op zichzelf. De rechter zal steeds een belangenafweging maken, waarbij ook de gerechtvaardigde belangen van de verhuurder zwaar kunnen wegen.

Daarmee onderstreept deze uitspraak nog maar eens dat ontruimingsbescherming bedoeld is als een tijdelijke oplossing om de overgang naar vervangende bedrijfsruimte mogelijk te maken. Het is geen verlengingsoptie waarop een huurder zonder meer aanspraak kan maken.

Tot slot

Wordt u geconfronteerd met een aanzegging tot ontruiming of een verleningsverzoek? Wacht dan niet te lang met het inwinnen van juridisch advies. De uitkomst van een verlengingsverzoek staat allesbehalve vast en een goed onderbouwd dossier kan doorslaggevend zijn. Wij denken graag met u mee over uw positie, de kansen van een verlengingsverzoek en de beste strategie voor uw situatie.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Pieter van Goor.

Heeft u vragen?
Neem contact met ons op