Het overgrote deel van werkgevers in Nederland zijn verplicht aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds. Werkgevers hebben de onderzoeksplicht of hun bedrijfsactiviteiten overeenstemmen met de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in een verplichtstellingsbesluit (de werkingssfeer). Voor veel werkingssferen geldt een hoofdzakelijkheidscriterium: in hoofdzaak dient voor X-percentage van de omzet, loonsom, of een ander meetbare eenheid, specifiek opgesomde bedrijfsactiviteiten plaats te vinden.
Echter bestaan ook werkingssferen zonder hoofdzakelijkheidscriterium, zoals het geval is bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur- en Textielindustrie (Bpf MITT).
Afgelopen jaren steeg het aantal uitspraken over de aansluitverplichting bij Bpf MITT aanzienlijk. Wat is hier het geval?
Zelfs met minimale bedrijfsactiviteiten gerekend tot de MITT-industrie
Wegens het ontbreken van een hoofdzakelijkheidscriterium, doet zich de situatie voor dat werkgevers met minimale bedrijfsactiviteiten in de MITT-sector, geconfronteerd worden met een (onvoorziene) aansluitverplichting – niet zelden met terugwerkende kracht en zodoende met forse pensioenpremienota’s tot gevolg.
De werkgevers die het betreft zijn werkgevers die geen aansluitverplichting hebben bij een ander pensioenfonds. Die situatie doet zich met name voor bij groothandels met een groot scala aan artikelen. Wanneer dergelijke onderneming dan aanbiedt een artikel van textiel – zoals een t-shirt – te personaliseren met bijvoorbeeld een bedrijfslogo of een tekst, dan is sprake van ‘het bewerken of verwerken van kleding(accessoires) en/of andere textielstukgoederen’.
In de rechtspraak heerst verdeeldheid of de uitleg en toepassing van het verplichtstellingsbesluit – ongeacht de omvang: in het geval van werkzaamheden vallend onder de werkingssfeer, geldt een aansluitverplichting bij Bpf MITT – houdbaar is.
Verdeeldheid in de rechtspraak
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch kwam op 16 juli 2024 tot het oordeel dat in gevallen waar een werkgever geringe bedrijfsactiviteiten verricht die behoren tot de werkingssfeer van (in dit geval) Bpf MITT, weliswaar sprake is van een aansluitverplichting, maar Bpf MITT naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op het verplichtstellingsbesluit jegens de werkgever kan worden gedaan.[1] Dit is een tweetrapsbenadering met het risico van onvoorziene en ongewenste (neven)effecten. Die effecten bestaan eruit dat een werknemer met kans op succes pensioen claimt bij het bedrijfstakpensioenfonds, met het standpunt dat sprake is van een aansluitverplichting van de werkgever. Tegelijkertijd wordt het bedrijfstakpensioenfonds geconfronteerd met de onmogelijkheid om pensioenpremies bij de werkgever te vorderen, door een geslaagd beroep op de redelijkheid en billijkheid door de werkgever.
In afwachting van de Hoge Raad, maar conclusie van Advocaat-Generaal richtinggevend
Tegen deze uitspraak heeft Bpf MITT cassatie ingesteld en hoewel de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, biedt de conclusie van het Parket bij de Hoge Raad een interessante benadering, namelijk een rechtvaardiging van de ‘de minimis-benadering’.[2]
Deze benadering gaat uit van een lezing in overeenstemming met de CAO-norm, wat niet enkel neerkomt op de bewoordingen in het verplichtstellingsbesluit, maar ook rekening houdt met de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen. Het wordt als onaannemelijk rechtsgevolg beschouwd om de werkgevers waar de werkzaamheden behorend tot de werkingssfeer zodanig verwaarloosbaar zijn, aan te merken als ondernemingen in betreffende bedrijfstak. De afbakening van de bedrijfstak valt anders niet meer te maken, wat niet als bewuste keuze van de sociale partners kan worden beschouwd. De conclusie is aldus dat het arrest van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd zou moeten worden, al volgt dit uit motiveringsgebreken. Gelijktijdig wordt de vernietiging ondervangen met een motivering waarmee de werkgever in kwestie – maar dan ook veel andere werkgevers – geen aansluitverplichting bij Bpf MITT zullen hebben.
In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad, volgen wij nauwgezet de ontwikkelingen rondom verplichtstellingen en werkingssferen.
Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met Michiel van Slagmaat.
[1] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2339, r.o. 3.5.3.
[2] Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1000, par. 3.43.